WhatsApp ons!
Voeg 31683357827 toe aan uw contactlijst om ons te whatsappen.

Middenslag

Middenslag “Goedemorgen, mevrouw. Wilt u iets eten of drinken?” De jongeman, gekleed in spijkerbroek en een rode grofgeruite bloes hield een leeg dienblad plat tegen de borst. Aan het tafeltje op het terras van Paal 15 op Texel, zat de propperig dikke vrouw met een knalroze angoratrui, een witte driekwart broek en een opvallend grote felblauwe zonneklep op haar zware en uitgebleekte, waarschijnlijk kunstmatige, haardos. Het leek alsof ze haar kleding steeds een maat te klein had gekocht. De ambachtelijk gemaakte rookworsten van mijn slager zien er wel eens zo uit. Ze hield een hondenriempje in de hand gekneld, alsof ze bang was dat het angstaanjagende monster elk moment zou willen ontsnappen. Aan de andere kant van het riempje zat echter een schriel poedeltje te bibberen alsof het midwinter was. En dat was het niet, het was midden augustus en zesentwintig graden. Het strand lag bezaaid met gemarineerde lijven tegen de zonnebrand. Met deze oostenwind had je niet zoveel zwemmers, omdat bij deze windrichting de kwallen naar de kust komen, aanspoelen op het zand en om daarna enkele dagen lang hun rottingsgeur te verspreiden. Als kind gooiden wij met die meurende blauwe puddinkjes naar elkaar. Als je werd geraakt zat die stank diep in je kleren of liever nog in je haren. Omgeven met de walgelijke geur van violieren die te lang in hetzelfde water hebben gestaan kwam je dan thuis. Sommige mensen krijgen er kotsneigingen van. Het ruft, het meurt, het stinkt dat het een aard heeft. Tenminste dat vinden wij, honden vinden dat niet. Zij rollen zich door de stinkende geleimassa totdat de rottevis-geur goed en diep in hun vacht is doorgedrongen. Zo ook dit grijszwarte mormeltje aan de voeten van de roze angoraprop. “Nee,” zei ze. “’k heb thuis net koffie gehad met drie dikke plakken ontbijtkoek, dus ik wacht nog even.” De ober, waarschijnlijk een vakantiekracht, die ergens studeerde, trok enigszins verbaasd de wenkbrauwen hoog en keek haar aan zonder iets te zeggen. “Nou ja, vooruit dan maar,” zei ze, “doe dan maar een bakkie water voor de hond. Dan ben je tenminste niet voor niets gekomen.” “Zo zo, toe maar” zei de ober, “wil meneer er misschien ook wel een koekje bij?” De vrouw keek hem aan met een blik van 'als je mij in de maling wilt nemen', makker, dan moet je vroeger opstaan. Haar oogjes versmalden zich en met een poppenkaststemmetje zei ze:” Ja, goed idee en bedankt voor het aanbod. Meneer slaat het niet af.” Ze grijnsde in de overtuiging de man van afdoende repliek te hebben gediend, maar daar dacht hij anders over. “Wil meneer misschien ook suiker en melk in zijn water?” vroeg de jongeman met een onvertrokken snoet. Andere terraszitters genoten met volle teugen, want het was onvoorspelbaar welke kant dit op zou gaan. Ieder was het wel met de ober eens, dat op een terras plaats nemen zonder iets te nuttigen eigenlijk niet netjes is. De vrouw had verder geen humor meer in huis, want ze sprak op bozige toon:”Zeg hou jij eens even op een oude vrouw zo in de maling te nemen.” De ober draaide zich om, keek even de andere gasten aan, stak de neus in de wind en zei onder het weglopen: “Ik geloof dat ik kwallen ruik.” “Ja dat kan wel kloppen,” zei de vrouw nu tegen mij, want ik zat aan het dichtstbijzijnde tafeltje. “dat is Bucky, die zo stinkt. Heb liggen rollebollen op het strand. Brutale aap eigenlijk om zo tegen me te praten, die ober. Dat doet Bucky nooit, hè Bucky.” Ik kon mijn ogen en oren niet geloven, maar het rafelige beestje trok het bovenlipje omhoog, waardoor enkele onregelmatige en gele tandjes bloot kwamen en grauwde een antwoord met een hoesterig keelgeluid. “Ziet u wel, Bucky doet zoiets niet tegen het vrouwtje, hè lieverd.” Opnieuw grimaste de miezer alsof hij een zuur kauwgumpje in de bek had. “Ja,” vervolgde de vrouw, “u denkt misschien dat dit een gewone hond is, maar dat is het niet, hoor. Met deze hond kan je gewoon een gesprek voeren. U denkt misschien dat dit een gewone poedel is, maar dat is het ook niet hoor, want het is een pitpoedel, een heel zeldzaam ras. Een middenslag is het, halfhoog is-t-ie, hè Bucky.” Telkens als de naam van het gedrochtje werd genoemd gromde hij hees zijn tandjes bloot. Daarbij draaide hij steeds het kopje omhoog en keek het vrouwtje even aan, net alsof hij naar haar lachte. Uit de strandtent kwam de ober aangelopen met het dienblad vol koffiekopjes. Eén voor één ging hij de tafeltjes bij langs en schotelde de heerlijk geurende kopjes de gasten voor. Tenslotte was er nog één kopje over en daarmee kwam hij op mijn buurvrouw af. Hij zette het op tafel, mompelde nog een onverstaanbaar ‘alstublieft’ en liep verder. De vrouw keek er verbouwereerd naar. Op het schoteltje lagen een lepeltje, een langwerpig zakje suiker een plastic cupje koffiemelk en een speculaas-achtig koekje. Onder het melkcupje zat een kassabon, waarop een bedrag van vijftig eurocent stond vermeld. De vrouw hield het bonnetje in haar hand en las het nogmaals onder het mompelen van :”Zo die maakt hem...” Toen sprak ze tegen de hond: “We moeten er allejezus-nog-an-toe voor betalen ook. Kijk maar Bucky hier staat het. Vijftig cent...Is-t-ie nou helemaal van z’n stoeltje geglejen of ben ik gek.” Ze draaide zich naar mij toe en zei: “Vijftig cent voor een koppie water...voor de hond nota bene. Nou die suiker en dat cuppie melk gaan mooi mee naar huis, dan heb ik er tenminste nog wat voor terug. Ze frommelde de dingetjes in haar tas en welhaast als vanzelf gleed ook het lepeltje naar binnen. “Zo Bucky, dat hebben we vast. ‘k Zal hem krijgen met zijn vijftig cent. Zo hier is je water en leegdrinken die kop. Nee nee, afblijven dat koekje is voor mij.” Snel stak ze het langwerpige sinterklaaskoekje in zijn geheel in haar mond. Uit haar portemonnee haalde ze een muntstuk van vijftig cent en legde dat op tafel. Ze tilde Bucky met vieze kwallengel in zijn vacht onder haar arm en vertrok in de overtuiging dat ze deze zaak ook dit maal weer in haar voordeel had beslist. Maar niet bij deze ober, want hij riep haar terug terwijl hij het geldstuk van de tafel pakte. Met een allesvergoelijkende grijns op zijn gezicht reikte hij haar de vijftig cent aan. “Hier mevrouw,” zei hij, “het was allemaal niet serieus bedoeld. Natuurlijk vraag ik geen geld voor een kopje water.” Beduusd zocht ze naar woorden en ze voelde dat ze begon te blozen en dat was lang niet gebeurd. “Nou ja...eh,”stotterde ze, “nou ja je hebt er toch ook voor moeten lopen en dan mag je d’r toch gerust wat voor vragen ook.” “Jawel, dat weet ik wel,” zei de man, “maar dat doe ik niet. Ik weet best dat het slechte tijden zijn voor de horeca, mensen komen niet meer zo dikwijls op het terras, want ze houden het geld liever in de knip. Erger nog sommige jatten gewoon je spulletjes nog mee, asbakken, lepeltjes..noem maar op,...maar geld vragen voor een kopje water, nee dat doe ik niet. Nou gegroet en een fijne dag.” Hij draaide zich om en liep weer naar binnen. De vrouw stond met hoogrode kleur bedremmeld bij de ingang van het terras. Toen ze van het terras afstapte in het rulle zand, draaide ze zich om en wist zich enigszins verscholen achter de windschotten die het terras omsloten. Daar opende ze haar tas en viste het lepeltje eruit. Ze mikte op het dichtstbijzijnde tafeltje en gooide het lepeltje er naast. Het tinkelde op de zanderige tegels. Ze keek naar mij en zag dat ik alles had gevolgd. Toen zei ze: “Dat doet-ie nou altijd hè, iets in zijn bek meenemen. Nee dat is niet lief van je, hoor Bucky.” Toen baande ze door het zand en hoorde we nog de laatste woorden: “...ik schaam me voor je Bucky, weet je dat.” Bucky draaide zijn kopje wat ophoog en grauwlachte op kuithoogte naar zijn vrouwtje, want hij was een middenslag.

Meldt dit verhaal
Texelfan? Schrijf u nu in voor de nieuwsbrief en ontvang als eerste de nieuwtjes en aanbiedingen van VVV Texel

Onze gasten beoordelen de accommodaties van VVV Texel 8,2 (uit 35926 beoordelingen)